jouw verhaal vertelt

 

Jouw verhaal vertelt

 

Leeuwenkracht


Simra was een meisje dat altijd lachte. Of ze nu vrolijk was of niet. Voor iedereen had zij een lach, klein of gul. Iedereen wist dat ze een vrolijk meisje was en mensen zagen haar graag.
Op een dag kwam Simra het plein opgelopen. Een plein dat middenin haar dorp was gelegen. Ze stak het over, maar struikelde over een steen. Het was midden op het plein. Ze lag languit op de grond en ze kermde van de pijn. Van alle kanten kwamen mensen naar haar toe om haar te helpen, maar Simra reageerde boos. De mensen schrokken. Was dit Simra? Het lieve meisje dat altijd lachte? Alsof de mensen met eenzelfde gedachte waren verbonden deden ze een stap terug.
Hun ogen werden zo groot als schotels toen ze op Simra neerkeken. Ze was verdwenen! En in haar plaats stond er een grommende leeuw. Een enorm dier met een woeste blik en golvende manen. Grommend keek hij om zich heen en baande zich een weg door de mensenmassa die om hem heen was ontstaan.
Sommige mensen gilden, sommigen stonden als vastgenageld aan de grond, weer anderen slaakten kreten van verbazing. Wat was hier gebeurd? Was dit tovenarij? Magie? Was het waar wat hun ogen zagen? Ze konden tot geen andere conclusie komen dan dat het waar was. Iedereen had de verandering gezien. Waar was die arme Simra gebleven? Een aantal mensen begonnen haar naam te roepen. Maar slechts een echo weerklonk.
De leeuw was inmiddels aan de rand van het plein, nog een paar passen verwijderd van het park dat het plein deels omlijstte. Niemand durfde de agressief uitziende leeuw na te lopen. En vreemd genoeg kwam niemand op het idee hem te vangen.
Ze lieten hem gaan. Een half uur later deed iedereen weer wat hij daarvoor ook had gedaan. Alsof er niets was gebeurd.
Behalve één jongen. Hij had het tafereel van een ruime afstand waargenomen. Hij had de verandering van meisje naar leeuw heel goed gezien. Het meisje was niet de leeuw geworden had hij opgemerkt, maar de leeuw was het meisje geweest. Het was alsof de leeuw was uitgebroken. Alsof hij gevangen had gezeten in een menselijk lijf. De agressie was niet voortgekomen uit de val, maar door de val was er juist iets vrij gekomen. De leeuw was vrij gekomen. Eindelijk bevrijd uit een lichaam dat niet het zijne was. De boosheid, de agressie was een lang verzamelde emotie door gevangenschap.
De jongen zag dat het meisje nooit werkelijk had bestaan. Het altijd lachende meisje was niet echt geweest. Altijd was het een farce geweest. Iets te mooi om waar te zijn.
Eindelijk was de leeuw vrij en kon hij zijn die hij bedoeld was te zijn.
De jongen liep het plein over richting het park. Hij was nieuwsgierig.
In hun dorp, zelfs in hun land, was eigenlijk geen plek voor een leeuw. De mensen kenden het dier wel van koninklijke plaatjes. Van adellijke vlaggen en dure, met edelstenen ingelegde kronen. Het dier was bijna mythisch voor ze. Daarom waren de meeste mensen ook niet weggerend. De werkelijke kracht van de leeuw kenden ze niet. Ze kenden alleen zijn grootse verschijning. Een verschijning die imponeerde. Die monden had doen openvallen van verbazing.
De jongen liep steeds sneller door het park tot hij opeens pootafdrukken zag. Hij volgde het spoor en zag de leeuw. Hij lag languit tussen een paar bomen. Slaperig keek hij even om zich heen en sloot toen zijn ogen.
De jongen sloop naar hem toe, tot heel dichtbij. Hij voelde dat het kon. Hij voelde dat de leeuw zo moe was dat hij niet gevaarlijk was. Ook voelde hij dat de leeuw niet hongerig was. Althans niet naar voedsel.
Uren later, de jongen was vlak in zijn buurt tegen een boom gaan zitten, werd de leeuw wakker. Hij rekte zich uit en was stomverbaasd toen hij de jongen heel dichtbij hem zag zitten. Natuurlijkerwijs grauwde hij meteen. Hij moest niets hebben van mensen. Iets in hem zei dat ze gevaarlijk waren. Hij stond op en liep naar de jongen toe. Klaar om hem een klap met zijn gigantische poot te geven. Hij voelde zich heel chagrijnig worden. Wie was dat mens, waarom werd hij zo uitgedaagd?
De jongen verroerde zich niet. Iets in hem verzette zich tegen de angst. De angst die zich wel langzaam van hem meester begon te maken. De leeuw was nog één stap van hem verwijderd toen de jongen heel rustig zijn hand uitstak. Alsof hij de leeuw wilde begroeten. Iets in de jongen nam het over. Iets dat groter was dan hij. Sterker, dapperder. De leeuw liet zijn poot zakken en keek de jongen aan. Herkenning, openheid was er en in een flits werd het lichaam van de leeuw als het ware in het lijf van de jongen gezogen. Wederom was de leeuw gevangen. Maar dit keer was het anders. Er was zoveel contact tussen de leeuw en de jongen geweest, zoveel aantrekkingskracht, dat het een harmonieus samenkomen was geweest. Mens en dier verenigd. De jongen was de leeuw en de leeuw was de jongen. De samensmelting die er lichamelijk uit zag als een jongen liep terug naar het plein en liep van de ene kant naar de andere. Hij keerde weer terug en op het midden van het plein gaf hij een enorme brul. Het was een brul die zo diep was dat het door alle onderbuiken van de aanwezige mensen trilde.
Iedereen stond stil en alle handen gingen als één hand naar de plek onder de navel.
Een zee van emoties spoelde heen en weer over het plein. Mensen begonnen te huilen. Mensen begonnen te lachen. Er was pijn, er was vreugde, er was alles wat gevoeld mocht worden. Iedereen ging door een maalstroom van gevoelens. Net zo lang tot er weer rust heerste en iedereen weer verder liep alsof er niets was gebeurd… Nee, dat was niet zo. Er was wel degelijk iets gebeurd en ze wisten het. Het was een vreemde, maar mooie dag. Een dag die de geschiedenis in ging als een hele bijzondere. Iedereen die die speciale dag had meegemaakt wilde meer. Meer van zoiets. Ze hadden er geen grip op. Totaal niet. Maar iets trok hen er in aan. Ze waren die dag geen robotten meer geweest die hun werk maar deden. Geen zombies meer die leefden omdat het moest. Nee, ze waren mensen geworden die een opening hadden gevonden. Een opening om te verbinden om lief te hebben, want daar ging het om. Om lief te hebben zeiden mensen tegen elkaar. Wat was er meer van belang? Niets, dat wisten ze. Waarom hadden ze dit niet eerder gevoeld? Ze wisten het niet en het kon hen ook niet schelen. Ze hadden de ervaring rijk te zijn. Rijker dan ooit tevoren. Ze hielden van het leven en van elkaar.
De koninklijke leeuw had hen een les gegeven. Ze wisten dat het zijn brul was geweest die ze hadden gehoord.
Nooit heeft iemand een link gelegd tussen de jongen en de leeuw. De leeuw was echter onder hen. Hij leefde voort in talloze mensen. Bij elke intense, liefdevolle ontmoeting versmolt hij met iemand anders. Iedereen ontmoette ooit zijn of haar leeuwenkracht en leefde een leven dat dat van anderen raakte.